Voor economen als Marx en Keynes was de productiviteit van geïnvesteerd kapitaal vanzelfsprekend. Pas in de loop van de 20ste eeuw begonnen we ons af te vragen hoe groot de extra productie was per eenheid geïnvesteerd kapitaal. “Onmiddellijk werd toen duidelijk dat er verschillen zijn (…) en dat die verschillen ertoe doen, en er veel toe doen” (Drucker, 1993). De meest invloedrijke denker op gebied van productiviteitsverbetering is uiteraard Frederick Taylor, die met zijn scientific management onderzoek deed naar de beste methode om een taak uit te voeren. In reactie op het Taylorisme volgde de human relations theorie, waarin het belang van menselijke factoren in het management werd onderstreept. Onder leiding van George Elton Mayo, toonde deze stroming aan dat sociale factoren, zoals moreel, een gevoel bij de groep te horen en intermenselijke vaardigheden de productiviteit positief beïnvloedden (Nonaka, 1997).
Met de opkomst van de computer in de jaren '70 versterkte het vertrouwen in een constante stijging van de productiviteit. Werden computers immers niet ingezet om processen te verbeteren? In 1987 constateerde Robert Solow echter "You see the computer age everywhere, except in the productivity statistics". Later werd dit bekend als de productiviteitsparadox, hetgeen betekende dat computers de beloofde productiviteitsverhogende effecten niet waar konden maken.
In de daarop volgende jaren werd deze paradox weggeredeneerd door te argumenteren dat de productiviteit wel was gestegen, maar dat de officiële statistieken dit, vanwege meetfouten, niet oppikten. Sterker nog, één van de aannames in de Nieuwe Economie, was dat er een voortdurende stijging in productiviteit zou zijn. De ICT-revolutie, veroorzaakt door de vruchtbare combinatie van automatisering (computers en software), communicatiemiddelen (satelliet, glasvezel, internet) en kennis of informatie, zou de productiviteit sneller opstuwen dan de loonkosten per eenheid product.
Men kan zich inderdaad afvragen in hoeverre de huidige stijging van de productiviteit doorwerkt in de statistieken, omdat deze zich vooral richten op metingen van traditionele productiefactoren, zoals arbeid en fysieke grondstoffen. Door het lineaire productieproces, waarin input en output makkelijk van elkaar konden worden onderscheiden, was het relatief makkelijk om productiviteit te meten. Door de specifieke kenmerken van het huidige kennisintensieve 'productieproces' is het veel lastiger geworden. Om te beginnen is het resultaat van het productieproces in toenemende mate immaterieel en moeilijk in kwantitatieve termen uit te drukken, hetgeen een voorwaarde is voor de klassieke productiviteitsmetingen. Ten tweede wordt het productieproces steeds diffuser, doordat de grenzen tussen input, transformatie en output (leverancier, producent en consument) vervagen, waardoor het lastig is om wijzigingen in productie te relateren aan wijzigingen in de hoeveelheid gebruikte productiefactoren. Ten derde is er sprake van een grote mate van variabiliteit van output, waardoor vergelijkbaarheid ontbreekt, hetgeen noodzakelijk is voor objectieve metingen.
Doelgericht handelen
De eerste benadering wordt gekenmerkt door de sterke nadruk die wordt gelegd op de relatie tussen organisatiedoelstellingen en productiviteit. De essentie van deze benadering is dat je de resultaten (productiviteit) pas kunt beoordelen, wanneer je weet wat het beoogde doel was.
In de huidige kennismaatschappij beschikken we over veel meer kennis dan we ooit zullen gebruiken. Bovendien hebben kenniswerkers over het algemeen de neiging om op zoek te gaan nieuwe kennis in plaats van zich af te vragen: "wat weet ik, wat heb ik geleerd, dat ik zou kunnen hergebruiken voor deze taak?". Om te voorkomen dat we te veel energie stoppen in 'verkeerde' kennis, en om te voorkomen dat de 'juiste' kennis verborgen blijft, is volgens Drucker een methodologie nodig, een discipline, een proces om kennis om te zetten in resultaten. "Anders zal veel van de beschikbare kennis nooit productief worden".
In het verlengde hiervan pleit Weggeman (1997) voor een focus op strategische kennisgebieden (kern competenties). Tillema (1996) wijst op de noodzaak van de verbinding tussen individuele competenties en de strategie van de organisatie. Kennisproductiviteit is geen "vlaag van genialiteit", maar een kwestie van werk en organiseren. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in de eerste plaats bij het management.
Organiseren van leren
In de tweede benadering staat leren centraal. Uitgangspunt bij deze benadering is dat leren het productieproces is waarmee kennis wordt gecreëerd (Weggeman,1997). Productiviteit kan worden gestimuleerd door de inrichting van een lerende organisatie.
De eerste en belangrijkste vertegenwoordiger van deze benadering is Joseph Kessels (1995), die leren benadert vanuit economisch perspectief. In de kenniseconomie staat het vermogen om kennis toe te voegen aan producten en diensten centraal. "Gezien het vitale belang van de leerprocessen die hiermee gemoeid zijn, is het onverstandig om het noodzakelijke leren aan het toeval over te laten" (Kessels, 1996). Of anders geformuleerd: zolang organisaties het toepassen van het geleerde niet organiseren, is opleiden verspilling. Hij bepleit daarom een zogenoemd corporate curriculum ter bevordering van de kennisproductiviteit.
Ook Tillema (1996) benadrukt dat de kennisproductiviteit het resultaat is van het stimuleren van leren door kenniswerkers en het organiseren van een krachtige leeromgeving. Leidraad hierbij zijn de principes van poly-contextualiteit (het vermogen van medewerkers om problemen vanuit meerdere invalshoeken te benaderen) en boundary crossing (op een dynamische manier omgaan met wat men al weet). Anders gezegd: verdieping en verbreding.
In tegenstelling tot de strategische benadering wordt door bijna alle auteurs de verantwoordelijkheid voor het leren gelegd bij de kenniswerker zelf. Inherent aan het kenniswerk is de zelfstandigheid van de kenniswerker, het vertrouwen in het zelfmanagement en het nemen van deze verantwoordelijkheid ten aanzien van deskundigheidsbevordering. In deze context moet een corporate curriculum niet zozeer worden gezien als een blauwdruk, maar vooral als een kennislandschap (Kessels, 1996) waarin de kenniswerker z'n eigen koers bepaalt.
Combineren van kwaliteiten
De derde benadering legt nadruk op het combineren van kwaliteiten die (bijna) per definitie niet in één persoon vertegenwoordigd zijn, maar wel in de organisatie als geheel. Hierbij moet worden gedacht aan denkstijlen, dimensies en competenties.
Volgens Van Aken (1998) is kennisproductiviteit het resultaat van het combineren van denkstijlen. Hierbij moet gedacht worden aan de combinatie van rationele en emotionele, geordende en chaotische, analytische en creatieve, planmatige en intuïtieve denkstijlen. "Door alle denken te dynamiseren in plaats van één denkstijl te monopoliseren, ontstaat ontwikkeling, ontstaat wijsheid. En zodra wijsheid groeit is het vraagstuk van kennismanagement voorbij. De groei van kennis ontstaat niet door training, maar door dynamiek (...)".
Voor Peter Senge (1992) spreekt niet zozeer over kennisproductiviteit, maar over het 'vermogen om ambities te verwezenlijken'. Deze is volgens hem afhankelijk van de combinatie van vijf dimensies: persoonlijk meesterschap, mentale modellen, een gemeenschappelijke visie opbouwen, teamleren en systeemdenken. "Ieder op zijn beurt vormt een onmisbare dimensie bij de opbouw van een organisatie (...)".
Dit zijn slechts twee voorbeelden in een lange rij theorieën, waarin de combinatie van kwaliteiten centraal staat: Sprenger (1995), Davenport & Prusak (1998), Stam (1998), etc.. Deze benadering is eigenlijk een erkenning van de tekortkomingen van het individu en de potentiële kracht van de organisatie. Niet iedereen hoeft over alle vaardigheden te beschikken, maar moet ze wel erkennen, respecteren en trachten te combineren.
Kennisproductiviteitsbevorderende maatregelen:
|
Doelgericht handelen |
Organiseren van leren |
Combineren van kwaliteiten |
|
kerncompetenties vaststellen en strategische kennisdomeinen afbakenen |
leerplan opstellen (corporate curriculum) |
identificeren van benodigde kwaliteiten en inventariseren van beschikbare kwaliteiten |
|
kritieke succesfactoren (KSF) identificeren en concrete doelen stellen (indicatoren waarop afgerekend kan worden) |
inrichten kennislandschap (intervisie, coaching, after action review, storytelling, multidisciplinaire teams, coporate memory, intranet, etc.) |
onderhouden van kwaliteiten (verwerven/ontwikkelen nieuwe kwaliteiten, onderhouden van bestaande kwaliteiten, afstoten van overbodige kwaliteiten) |
|
normen stellen, resultaten inzichtelijk maken, vergelijken en bespreken (strategische dialoog) |
vaardigheden trainen die kennisuitwisseling bevorderen (communicatie, creativiteit, cognitieve flexibiliteit, boundary crossing, alliance building, etc.) |
combineren en benutten van beschikbare kwaliteiten (denkstijlen, competenties, 'hard' vs 'zacht', dimensies, tacit & explicit, etc.) |
Bij al deze acties dient te worden aangetekend dat de eerste kolom in eerste instantie de verantwoordelijkheid is van het management. Voor de acties in de tweede kolom ligt het initiatief in eerste instantie bij de kenniswerker zelf. De derde is vooral een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Ondanks de bedrijfskundige terminologie die veel wordt gehanteerd (investeren, vermogen, rendement, kapitaal, productiviteit), waagt men zich niet aan exacte kwantitatieve benaderingen. Kennisproductiviteit is vooral een sociaal thema en voor inzichten moeten we op zoek in de management-literatuur. Weggeman (1997) geeft nog wel een aanzet en definieert het rendement op kennis (ROK) als "de verhouding tussen de kosten van de productiefactor kennis en de baten die zijn toe te wijzen aan de inzet van die productiefactor". Weggeman constateert echter in één adem door dat het bepalen van de kosten van kennis al een hele toer is, laat staan het bepalen van de bijdrage van kennis aan het bedrijfsresultaat. Hij gaat verder niet in op dit onderwerp. In dit opzicht is de poging van Heijmans op z'n minst opmerkelijk te noemen.
De stroming die wellicht de grootste bijdrage heeft geleverd aan het tastbaar maken van het begrip kennisproductiviteit, is die van intellectual capital. Deze beweging heeft als uitgangspunt dat kennis de belangrijkste asset van een organisatie is, en dat managers over het algemeen alleen aandacht hebben voor datgene wat gemeten wordt. Intellectual Capital is de stroming die, met behulp van (zowel kwantitatieve als kwalitatieve) metingen, invulling probeert te geven aan de zogenoemde immateriële of onzichtbare bedrijfsmiddelen, zoals kennis, vaardigheden en ervaring (Stam, 2001).
Christiaan Stam is initiator van Intellectual Capital Services en Programma Manager van de Masterclass Kennismanagement, een samenwerking tussen CIBIT en de Baak, stam@intellectualcapital.nl.
© 2001, Intellectual Capital Services