|
Kennismanagement: de derde golf Het meten van weten
Drs. Christiaan D. Stam MBA
(Dit artikel is gepubliceerd in de Baak Managementwijzer Kennismanagement, 2e druk, september 1999) Het begrip kennismanagement is een veelzijdig en veelomvattend concept. Het succes en het bestaansrecht zal echter moeten blijken uit praktische toepassingsgebieden. Na de succesvolle toepassing van kennismanagement binnen de informatie en communicatie technologie (ICT) en human resource management (HRM) lijkt kennismanagement nu te worden opgepakt door controllers en accountants. Dit artikel geeft een overzicht van de stand van zaken van deze derde golf waarin het waarderen van kennis centraal staat of: het meten van weten. ICT: vastleggen van kennis Deze golf rustte vooral op de eerste fase van de kennisspiraal van Nonaka (externalization), waarin impliciete kennis expliciet wordt gemaakt, zodat het gedeeld kan worden met anderen. Veel (vaak zeer succesvolle) trajecten op dit gebied zijn echter nooit verder gekomen dan deze eerste fase. Het succes van deze golf is vooral te verklaren door het tastbare karakter. Het vage begrip kennis werd concreet gemaakt door een database met heel veel informatie. Eigenlijk ging deze vorm van kennismanagement niet verder dan het traditionele informatiemanagement. Deze eerste golf besteedde nog geen aandacht aan de ontwikkeling van de andere (impliciete) kant van kennis. HRM: vaardigheden voor kenniswerkers Langzamerhand ontwikkelt zich een set van specifieke vaardigheden voor de kenniswerker. Hiervan zijn communicatie en creativiteit de belangrijkste. Daarnaast moet gedacht worden aan vaardigheden als: cognitieve flexibiliteit, cross border thinking, alliance building, imagination en scenario planning (zie begrippenlijst voor uitleg). Bij de creatie van een dergelijke omgeving dienen werkgevers voorbij te gaan aan de angst dat medewerkers met deze kostbare productiemiddelen (en de vaardigheden om er mee om te gaan) kunnen weglopen. Wat goed is voor de ontwikkeling van de medewerker, is tevens goed voor de ontwikkeling van het bedrijf. De waarde van deze ontwikkeling is echter nog moeilijk uit te drukken. Enerzijds omdat kennis ontastbaar is, anderzijds omdat de traditionele meettechnieken geen rekening houden met de specifieke kenmerken van de productiefactor kennis. Control: meten van weten Het groeiende verschil tussen markt- en boekwaarde van bedrijven is een belangrijke motor in deze ontwikkeling. Bijvoorbeeld bij een bedrijf als Ahold vertegenwoordigde de balans in 1997 nog maar 1/7de deel van de totale marktwaarde van het bedrijf. Wolters Kluwer nog slechts 1/9de deel en een bedrijf als Glaxo Welcome 1/28ste deel! Naast de jaarverslaggeving hebben bedrijven vele redenen om immateriële activa te waarderen. Hierbij moet worden gedacht aan fusies en overnames (wat kost dat bedrijf nou eigenlijk?), samenwerkingsverbanden (over welke middelen beschikt een bedrijf?), fiscale doeleinden (wat wordt de openingsbalans?) en het management van immateriële activa (hoe krijgen we zicht op de ontwikkeling van immateriële activa?). Metingen immateriële activa door accountants Het vasthouden aan deze uitgangspunten staat de waardering van kennis in de weg, omdat ze geen rekening houden met de specifieke kenmerken van het nieuwe productiemiddel kennis. Kenmerken van productiemiddel kennis In accountants termen wijkt de kennisstroom af van de financiële stroom, doordat het niet noodzakelijkerwijs in balans hoeft te zijn. Grote investeringen in informatie-systemen, image-building of opleidingen kunnen enorme geldverspillers blijken te zijn, terwijl kleine investeringen in dezelfde gebieden een enorme impact kunnen hebben op de waarde van de organisatie. Uit onderzoek is gebleken dat kennis en informatie kunnen leiden tot toenemende meeropbrengsten, in tegenstelling tot de afnemende meeropbrengsten bij de traditionele productiefactoren. De doorbreking van deze klassieke verbanden tussen kosten en opbrengsten kan worden geïllustreerd door de ontwikkeling van bijvoorbeeld Windows 2000. Nadat de initiële kosten voor onderzoek en ontwikkeling eenmaal zijn gemaakt, zullen de marginale productie- en distributiekosten extreem laag zijn. Dit hefboomeffect op de intellectuele inspanningen van het bedrijf (bijvoorbeeld Microsoft) zou o.a. de extreem hoge markt/boekwaarde-ratios kunnen verklaren. Ondanks alle inspanningen, raken de accountants bij hun pogingen om immateriële activa te meten verstrikt in hun eigen richtlijnen, die niet sporen met de specifieke kenmerken van kennis. Als we het nieuwe meten met instrumenten uit het verleden, zullen we geen vat krijgen op het nieuwe. Het 500-jaar oude accounting systeem geeft slechts weinig zicht op de ontastbare en niet-financiële processen van vandaag. Daarom is er behoefte aan een nieuwe benadering. Om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de beschikbare kennis, dienen we te worden bevrijd van de traditionele meetinstrumenten, die kennis in een financieel keurslijf dwingen. Op zoek naar een nieuwe standaard Management heeft de neiging zich te concentreren op dat wat gemeten wordt. Zolang alleen materiële activa worden gemeten of immateriële activa alleen in financiële termen worden gemeten, dreigt een groot deel van de waarde van het bedrijf over het hoofd te worden gezien. De roep om nieuwe, passende instrumenten wordt steeds groter. Deze ontwikkeling stimuleerde een Zweedse werkgroep (o.l.v. K.E. Sveiby) in 1987(!) om vanuit de praktijk op zoek te gaan naar een nieuwe standaard die het mogelijk maakte om niet-financiële, immateriële activa te meten. Het resultaat was de Konrad theorie waarin de immateriële activa werden onderverdeeld in drie gebieden. Deze driedeling is niet alleen kenmerkend voor de Intangible Assets Monitor (IAM), maar ook voor latere modellen op dit gebied. Het eerste gebied betreft de medewerkers (Individuals Competence). Hierbij gaat het om de vaardigheden, scholing, ervaring, waarden en normen, etc. van de mensen die het bedrijf bevolken. Deze immateriële activa zijn persoonsgebonden. Het tweede gebied betreft de organisatie (Internal Structure). Hierbij moet gedacht worden aan patenten, copyrights, concepten, modellen, computer en administratieve systemen. Dit zijn immateriële activa die voortkomen uit de medewerkers, maar het eigendom zijn van de organisatie. Kortom: alles wat overblijft wanneer je de mensen uit de organisatie haalt. Het derde gebied betreft de externe oriëntatie (External Structure). Dit zijn de relaties met klanten en leveranciers, merknamen, reputatie, imago, etc. Deze immateriële activa zijn niet per definitie eigendom van de organisatie. De Intangible Assets Monitor wordt inmiddels in tientallen (vooral Skandinavische) bedrijven toegepast. De bekendste is WM-data dat al sinds 1988 immateriële activa meet volgens deze principes. Parallel aan de IAM ontwikkelden Kaplan en Norton rond 1990 in de Verenigde Staten de zogenaamde Balanced Score Card (BSC). Deze is niet specifiek ontwikkeld voor de meting van immateriële activa. Doel van de BSC is een meer gebalanceerd beeld te krijgen van de prestaties van een onderneming. De BSC was dus, net als de IAM, opzoek naar niet-financiële maatstaven ter aanvulling van de financiële indicatoren. Een andere overeenkomst met de IAM is dat de immateriële activa in drieën wordt verdeeld: Learning focus, Process Focus en Customer Focus. Belangrijk verschil tussen beide modellen is dat de IAM is ontwikkeld vanuit een kennis-perspectief, terwijl de BSC zoekt naar de balans tussen metingen van historische prestaties (financieel) en toekomstige prestaties (prestatiemotoren). De indicatoren van de BSC komen voort uit de visie en de strategie van het bedrijf. In 1993 bracht Leif Edvinsson (Corporate Director of Intellectual Capital bij de Zweedse verzekeringsmaatschappij Skandia) deze twee modellen bij elkaar in de Skandia Navigator. Edvinsson was de eerste die de term Intellectual Capital (IC) gebruikte, in plaats van de accounting term immateriële activa. Ook Intellectual Capital is onderverdeeld in drieën: Human Capital, Organizational Capital en Customer Capital. Een tweede bekende gebruiker van dit model is Dow Chemical. Drie modellen vergeleken (Sveiby, 1998)
Een aparte kennisbalans ![]() Het lijkt erop dat niet langer wordt gestreefd naar waardering van kennis op de traditionele (financiële) balans. Kennis wordt op een aparte balans gepresenteerd en is aanvullend op de financiële balans. Het traditionele accounting systeem en het jaarlijkse financiële verslag hoeven dus niet te worden aangepast. Voor de presentatie van de cijfers wordt gebruik gemaakt van de Balanced Scorecard benadering. De immateriële activa zijn verdeeld in drieën, zoals hierboven beschreven, en per categorie worden indicatoren geïdentificeerd die (vanuit de visie en strategie van het bedrijf) zicht geven op de ontwikkeling. Deze indicatoren kunnen zowel financieel als niet-financieel zijn. Mogelijke indicatoren voor Intellectueel Kapitaal:
Ondanks de inspanningen van de accountants is het niet gelukt om met behulp van de traditionele instrumenten voldoende zicht te geven op de waarde van immateriële activa. De strenge accounting richtlijnen bieden niet de ruimte om het intellectuele kapitaal te waarderen. Vanuit de praktijk zien we echter een beweging opkomen die voorbij gaat aan de accounting richtlijnen. Door geen rekening te houden met de eigendomskwestie en het meten in niet-monetaire termen wordt tegemoet gekomen aan de specifieke kenmerken van het productiemiddel kennis. Met het opzetten van een aparte kennisbalans, naast de traditionele financiële balans, krijgt het management een praktisch instrument waarmee zicht wordt verkregen op het intellectuele kapitaal. Niet alleen tastbare en juridisch beschermde kennis, maar ook impliciete persoonsgebonden kennis wordt opgenomen in de kennisbalans, waardoor beter inzicht wordt verkregen in het productie potentieel. Het gaat niet langer alleen om het meten van wat we bezitten, maar ook om het meten van wat we weten. Christiaan Stam is adviseur op het gebied van kennismanagement Bronnen
|